Ze zijn er altijd al geweest: vaders die hun afstammeling willen laten uitblinken in iets, waar ze zelf nooit wat van hebben gebakken.
Zo zijn er zoontjes, die bij hun geboorte zeer bijzondere talenten hebben meegekregen: muzikaliteit, stijldansen of dammen voor mijn part. Hun goed oplettende moeder herkent dat natuurlijk en uiteraard wenst ze dat haar kind die gave ontwikkelt. Maar pa denkt daar heel anders over: zijn zoon moet voetballer worden. Dat talent heeft hij namelijk zeker, aldus de vader, want het eerste woordje wat zoonlief destijds zei was: bal. Daarbij vergeet die ouwe, dat hij vanaf de geboorte van zijn spruit alleen maar dát woord tegen hem gezegd heeft.
Het is al weer zo’n veertig jaar geleden, dat een knulletje van een jaar of zeven op een of ander trainingsveld, onhandig met een bal aan het klungelen was. Terwijl zijn vader vanaf de zijlijn allerlei onuitvoerbare aanwijzingen stond te brullen, stond hij daar diep ongelukkig te wezen. Zijn trainingsmaatjes waren wél behendig in het spel en pakten keer op keer de bal van hem af. De trainer, pedagoog bij uitstek en diep begaan met het wel en wee van zijn pupilletjes, had al zijn wijsheid en moed bijeenvergaard en was een gesprek met de vader aangegaan. Zo tactvol mogelijk had hij hem uitgelegd, dat hij bij het jeugdlid allerlei vaardigheden had ontdekt. Daar konden het kind en zijn ouders bijzonder trots op zijn, maar het jochie had nu eenmaal geen voetbaltalent.
‘In een onbewaakt ogenblik heb ik hem eens horen zingen, terwijl hij zichzelf vingertikkend op een bank begeleidde. Hij heeft een heel goed gevoel voor ritme en muziek’ vertelde hij de ouwe. ‘Laat hem een muziekinstrument leren bespelen, of stuur hem naar een dansschool. Daar zou hij veel beter op zijn plaats zijn.’
Het was bijna op een vechtpartij uitgelopen, want pa liet zijn nazaat niet voor een mietje uitmaken. ‘Wat denk je wel,’ brulde hij tegen de oefenmeester. ‘Jij kan de jeugd niet trainen. Dáár gaat het om.’ Woedend heeft hij zijn zoontje van de club gehaald en ingeschreven bij een concurrerende vereniging.
Het knulletje kwam in een laaggeplaatst jeugdelftal terecht, en speelde elke zaterdag een competitiewedstrijd tegen een ploeg andere stumpertjes. Honderden meters verder was het gebrul van zijn pa te horen.
‘Trap hem de grond in!’
‘Ach joh… Dat is toch geen voetbal.’
‘Pak die bal van hem af!’
‘Stommeling!’
Naast de schreeuwlelijk stond altijd een wat stille vrouw zich rot te generen voor het gedrag van haar man. Haar gedachten waren bijna te lezen: “Was ik maar met Piet Keizer getrouwd. Dan had ik misschien een goed voetballend zoontje gehad, maar zeker een echtgenoot met hersens.”
Het is toch nog goed gekomen met dat kereltje. Inmiddels is hij een vermaard muziekdocent en speelt hij elke zaterdag nog een partijtje veteranenvoetbal. Nog steeds zo onhandig als veertig jaar geleden, maar dat maakt hem niet uit. In de sport gaat het om teamgeest en kameraadschap, heeft hij in zijn lange leven geleerd, en niet om winnen of de showbink uithangen. Altijd staat zijn tweetal trouwe supporters aan de zijlijn. Een bejaard echtpaar. De man is reeds dement, en zit in een rolstoel. Met zwakke stem, bijna onhoorbaar roept hij zijn favoriete voetballer van alles toe:
‘Rennen dan, slome.’
‘Dat is toch geen voetbal.’
‘Zo wordt het natuurlijk nooit wat.’
Zijn echtgenote laat hem begaan. Haar ideale sportman – haar zoon – loopt altijd met een vrolijke lach het veld af, ook als hij met een nulletje of zes, zeven verloren heeft. En dat vervult haar met trots… grote trots. En terecht!
No comments:
Post a Comment