Afgelopen maandag trof ik Astrid bij mijn thuiskomst uit het werk een tikkie in de min aan. Wit smoeltje, aparte oogbewegingen die hoofdpijn verraadden, een beetje snotterig. Liefdevol legde ik mijn arm om haar schouder en gaf haar een kus.
‘Ben je niet zo lekker?’ vroeg ik totaal overbodig.
‘Hoezo?’ probeerde ze opgewekt te antwoorden, terwijl zij mijn arm van zich afschudde. ‘Wat zou er met mij aan de hand zijn?’
‘Nou… Je ziet er zo grieperig uit,’ probeerde ik mijn medeleven te tonen.
‘Dat zie je helemaal verkeerd,’ snibde ze terug. ‘En laat me nu met rust. Zonder jouw gezeur heb ik al genoeg aan mijn hoofd.’
Ik begreep, dat ik nu even niets meer moest zeggen. Laat staan om naar de oorzaak van haar gezondheidsdip te gissen. Ik pakte mijn krant, ging in de hoek van de kamer zitten en zei helemaal niets.
‘Wat zit je daar nou te zwijgen,’ viel ze na een kwartiertje uit. ‘Gezellig ben jij zeg. Sta ik me de hele dag in mijn eentje uit de naad te werken. En dan kom jij eindelijk thuis, en dan zeg je helemaal niks.’
Ook niet goed, dus.
‘Wat heb je vandaag gedaan?’ toonde ik mijn interesse.
‘Nou zeg. Ga ook nog eens mijn werk controleren. Als je het zo graag wil weten: is het je misschien opgevallen, dat ik ook een baan heb? En verder heb ik in dit huis de rotzooi opgeruimd, die jij in het weekend gemaakt hebt.’
Van dat laatste was ik me niet bewust, maar ik besefte dat het belangrijk was om nu geduldig, ja heel geduldig met haar te zijn. Zo probeerde ik een avond lang tussen de klippen door te laveren. Ook de volgende dag was het nog behelpen, maar op woensdag was de huiselijke stemming weer helemaal ten goede gekeerd, en kon Astrid weer liefdevol naar mij glimlachen.
De boosdoener zal wel een onschuldig griepje zijn geweest, vermoedde ik.
Op donderdag nam het verantwoordelijke virus mij te pakken. In de loop van de dag kwam er een hoofdpijn opzetten, en voelde ik me wat koortsig worden. Natuurlijk maakte ik mijn werkdag af, maar toch was ik blij dat ik eindelijk thuis was. Een beetje uitgeput liet ik me, met mijn krant, in een stoel zakken.
‘Sorry hoor,’ verontschuldigde ik me. ‘Ik voel me niet zo lekker.’
‘Haha,’ lachte Astrid smalend. ‘Wat zijn jullie mannen toch altijd zielig, als ze zich even niet goed voelen. Aan het begin van de week voelde ik me ook niet zo fit. Maar heb ik daar ook maar iets van laten merken? Ik dacht het niet, hè?’
Zucht…
Friday, October 19, 2012
Ziek
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment