Friday, February 15, 2013

    Grootmoeder

    Onlangs werd ik weer eens bepaald bij de uitspraak “Dit is soep, zoals grootmoeder het maakte”. Daarmee prees de betreffende winkelier zijn blikken tomatensoep aan. Omdat deze uitdrukking mij hevig intrigeerde, ben ik de straat opgegaan om eens extra te letten op dames die de leeftijd van het omaschap bereikt hebben. Een jaar of zestig – vijfenzestig dus.
    Het was een vrolijke gewaarwording. Kordate, zelfverzekerde vrouwen fietsten over straat. Bijna allemaal hadden ze een kinderzitje voor- of achterop, dat werd ingenomen door één of ander hummeltje, dat ze van of naar school, het kinderdagverblijf of hun eigen huis vervoerden. Want dochterlief heeft het te druk met haar carrière, en laat de opvoeding van haar spruit liever aan haar moeder over. Die heeft daar tenminste ervaring in.
    Deze oma’s, ontdekte ik, trapten allemaal nogal gehaast op de pedalen. En ik kon wel raden waarom… Veel van hen hebben een druk bestaan. Ze houden zich bezig met allerlei soorten vrijwilligerswerk. Of ze zijn zeer ervaren directiesecretaresses van een baas, die zich niet aan een jonge blondine durft toe te vertrouwen. Of ze laten hun inmiddels gepensioneerde echtgenoot zijn eigen aardappels aanbranden, omdat ze als eigenaar van een modezaak hun eigen bezigheden hebben. Tijdens een sober zakendiner dient een leverancier erop gewezen te worden, dat hij met concurrentie te maken heeft. Derhalve kan hij kiezen tussen het laten zakken van zijn prijzen of op te lazeren.
    Kortom, de oma’s van tegenwoordig staan midden in de maatschappij en behoren tot een generatie die zich heel wat meer rechten heeft verworven dan het aanrecht. Ik heb zelfs het vermoeden dan menigeen van dat aanrecht heeft afgezien. Als ze hun kleinkind van een bordje soep moeten voorzien, dan trekken ze een blik open – inderdaad zoals grootmoeder het kennelijk maakte – doen er wat water bij, even op het vuur en hopla, de snotneus heeft z’n soep.
    De soepwinkelier zal deze oma’s niet bedoeld hebben, vermoed ik. Waarschijnlijk had hij hún grootmoeders in gedachten. De oudjes in het jaar 1960, zo ongeveer. Ik kan me die vrouwtjes nog wel herinneren. Afgetobde mensjes met tandeloze, ingevallen bekkies en grijze haren. Allemaal waren ze in het zwart gekleed. Bij gebrek aan bejaardenhuizen woonden ze in bij hun dochter, die zelf een stuk of vijf kinderen achterna te rennen had. De hele dag deden ze niet anders dan op een stoel zitten, en zich overal tegenaan bemoeien. Ze leefden in een tijd, dat nog lang niet alle huishoudens van een badkamer of douche waren voorzien. Doorgaans waste men zijn hele lichaam slechts eenmaal in de week met een emmertje op zolder of in een slaapkamer. Bij het ouder worden liet men die wekelijkse wasbeurt gewoon achterwege… Met als gevolg dat de grootmoeders van destijds nooit fris roken. Bovendien werd hun onaangename lichaamsgeur versterkt door een andere, penetrante lucht, die ik destijds niet omschrijven kon. In ieder geval weerhield het geheel me er altijd van om zo’n vrouwtje op reukafstand te naderen. Nu ik ouder en wijzer geworden ben, besef ik dat dát aroma te maken had met het feit dat er toen nog geen incontinentiemateriaal was uitgevonden…
    Sinds de opmerking van de soepverkoper heb ik nachtmerries, waarin zo’n stinkend en kwijlend opoetje mijn soep in elkaar staat te flansen. Brrrr.
    Soep, zoals grootmoeder het maakte? Nee, dank je!

    No comments:

    Post a Comment