Het overkomt me nogal eens dat ik door veel te vage kennissen als ome Arie wordt geïntroduceerd. In de regel gebeurt dat aan hun kroost, dat de snotneusleeftijd nog lang niet voorbij is. Het heeft me altijd al gestoord, om op die manier aan klein grut te worden voorgesteld.
De kinderen van mijn zussen mogen mij met oom aanspreken, want dat ben ik nu eenmaal. Die van Astrids broers en zussen uiteraard ook. De kleintjes van heel goede vrienden mogen mij Arie noemen, want zo heet ik gewoon. De overigen moeten “meneer” tegen me zeggen, of liever nog, hun mond dicht houden.
Toen ik lang geleden achter in de twintig was, en een heerlijk vrijgezellenbestaan aan het leiden was, werd ik op een dag lastiggevallen door Ans, een ex-studiegenoot van mijn oudere zus. Ooit, op een of ander feestje, had ze mij eens diep in de ogen gekeken. Ik haar niet, want ik had juist diep in het glaasje gekeken. Inmiddels had ze een echtgenoot en drie kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar. En die bracht ze allemaal mee! Het was overduidelijk, dat ik haar bezoek moest zien in het licht van “aandacht schenken aan alleenstaande, eenzame mannen”.
‘Kijk kinderen,’ sprak ze op onderwijzeressentoon. ‘Dit is ome Arie. Geven jullie ome Arie maar een handje.’
Dus zat er niets anders voor me op, dan om twee smoezelige kwijlknuistjes vast te pakken. Gelukkig lag de jongste in een reiswieg, zodat een kennismaking daarmee mij bespaard bleef. Natuurlijk was ik zo beleefd om mijn ongenode bezoek iets te drinken aan te bieden. Ze hadden de keuze uit koffie, thee, bier of cola. Een beetje verbolgen vroeg mijn gaste, of ik niets voor de kleintjes in huis had.
‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Ik ben er niet op ingericht om kleine kinderen te ontvangen.’ Ze pakte mijn signaal niet op. Integendeel.
‘Daar zou ik dan toch maar rekening mee gaan houden.’ Direct vervolgde ze: ‘O. Je hebt wel mandarijnen, zie ik. Dat zullen ze ook wel lekker vinden.’
Zonder verder wat te vragen, pakte ze twee vruchten van mijn fruitschaal. Even later lag mijn salontafel onder de schillen en een platgetrapt stuk mandarijn op de vloerbedekking.
‘Waar is mama?’ vroeg een van de kotertjes opeens.
Ik wees naar de mevrouw die naast hem zat, maar die legde mij de vraag uit.
‘Hij bedoelt eigenlijk waar je vrouw is. Want dat zijn ze zo gewend, hè?’ Voordat ik het mormel had kunnen uitleggen, dat hij zich daar niet mee te bemoeien had, legde zijn moeder hem uit: ‘Ome Arie heeft geen mama, ome Arie heeft een oma.’ Het duurde even, voordat daarvan de betekenis tot mij doordrong. Met “een oma” werd mijn oude moeder bedoeld, die kennelijk geacht werd elke dag nog mijn prak klaar te maken en mijn onderbroeken te wassen.
De visite bereikte een hoogtepunt – of eigenlijk een dieptepunt – toen de baby in de reiswieg begon te blèren. Een korte inspectie leerde dat er een luier verwisseld moest worden.
‘Mag ik hem even op je eettafel verschonen?’ vroeg Ans. Uiteraard keek ze verbaasd, toen ik “nee” zei.
‘Sorry, maar ik wil die geur niet in mijn huiskamer hebben.’
‘Op het aanrecht in de keuken dan?’ stelde ze verbaasd voor. ‘Of anders op het bed in je slaapkamer?’
Ik weigerde beide opties. Tot het uiterste geprikkeld maakte ik haar duidelijk, dat mijn huis niet was ingericht op het verwisselen van poepluiers. Toen drong er eindelijk iets tot haar door.
‘Ik denk dat we hier niet helemaal welkom zijn,’ constateerde ze beledigd. ‘Kom kinderen, wij gaan.’
Vijf minuten later was mijn bezoek vertrokken en de rommel opgeruimd. Slechts een vlekje op de vloerbedekking herinnerde nog aan mijn ongewenste gasten.
Toen ik een tijdje later een relatie kreeg met Astrid, moest ik natuurlijk ook aan haar familie voorgesteld worden. Het eerste bezoek was aan haar zus en zwager. Het echtpaar hield er twee heerlijke pubers op na. Een jongen en een meisje van een jaar of vijftien, die er een dagtaak aan hadden om elkaar het leven zuur te maken.
Na een leuke kennismaking namen Astrid en ik weer afscheid.
‘Tot ziens, jongelui,’ zei ik tegen de tieners, die de hele tijd nog geen woord gezegd hadden.
‘Doei,’ antwoordden ze beiden zo onverschillig mogelijk.
‘Willen jullie even normaal “Tot ziens” tegen oom Arie zeggen,’ gebood hun vader hen streng.
‘Tot ziens ome Arie,’ spaken ze in koor met een intonatie, waar het cynisme van alle kanten van afdroop. Een heimelijk gestrekte middelvinger beantwoordde ik met een knipoog.
No comments:
Post a Comment